Voor tweedehands boeken

Ook van deze schrijvers

Raban Internet Antiquariaat

Klik hier !

Galg

Ik spring op, de kou is verdwenen,
ik steek de handen in mijn zakken
en wandel met mijn stille bondgenoot in de hand naar Oxford Street.
In de richting van Marble Arch,
langs dezelfde route die vroeger de ter dood veroordeelden liepen.
Op Marble Arch werden ze onder veel bekijks opgehangen.
'En dan, goede vriend, als de strop zich sloot om de nek en de zondaars spartelden in de lucht,
richtte hun geslacht zich nog één keer op, als op de dag des oordeels.
De piemel schonk zijn meester nog één paradijselijk orgasme.
Soms te laat, dan kwam de boef pas klaar als hij dood was.
Dat was lachen.
(Peter Brusse, Met vlindernet door swinging Londen, blz. 26)


Gas

Gas wordt gewonnen door boringen in de aardkost.
Gaswinsten door boringen door onze neus.
De onbetaalbare know-how voor beide boormethoden berust bij dezelfde multinationals.
(Alexander Pola, Nou èn...? Handleiding voor optimisten, blz. 84)

Gaspeldoorn

Ik zit aan het boek gekluisterd
- ik bedoel dat ik eraan zit vastgeplakt als een vlieg aan een kleefstrip.
Soms heb ik er geen vat op; maar ga toch stug door;
dan weer heb ik het gevoel dat ik door drastisch te werk te gaan
- alsof ik me door gaspeldoorn een weg baan -
uiteindelijk toch iets wezenlijks te pakken heb.
(Virginia Woolf, Schrijversdagboek 1, blz. 200, 26 januari 1930)

Gebit

... en een gebit alsof ze een piano had ingeslikt
en de vergeelde toetsen waren blijven steken.
(Frans Pointl, De kip die over de soep vloog, blz.106)

Geboorte

Ik voel me een beetje als de actrice over wie Alexander Woollcott schrijft,
in zijn stukje over Dorothy Parker,
die eindelijk, eindelijk haar kind dan ter wereld had gebracht
en van de schrijfster een gelukstelegram kreeg dat luidde:
"Well done, Mary, we all knew you had it in you."
(C. Buddingh', Dagboeknotities 1977-1985, blz. 305, 7-8-1978)

 

Een mooie Spaanse copla, vertaald door Hendrik de Vries:
De dokter, bij mijn geboorte,
Voelde mijn pols en besloot:
'Zolang dit kind maar blijft leven,
Gaat het in geen geval dood.'
(Dr. Marc Galle, Voor wie haar soms geweld aandoet, deel 2, blz. 180)

 

Elke geboorte is een wonder, elk kind een godsgeschenk.
Maar het is nog niet ter wereld of het godsgeschenk begint te krijsen en te schijten.
Als ouder komt van nachtrust weinig meer; je carrière begint gevaar te lopen.
Krijsen en schijten gaan welliswaar over, maar dan volgen de bof en de mazelen.
(Midas Dekkers, De koe en de kanarie, blz. 36, De zuster)

 

In de verloskamer juichen ze bij het omge-
keerde doelpunt van de geboorte. Niemand
voorziet de wraak van de keeper die hoog
op de witte tafel ligt, met lege handen.

(Anna Enquist, Laatste zomer met de kinderen (fragm.), Een nieuw afscheid, blz.40)

 

De ware geboorte heeft niet plaats wanneer de moeder van het kind,
doch pas wanneer het kind van de moeder verlost wordt.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 170)

Gebouwen

Alle gebouwen die de laatste dertig jaar zijn neergezet,
zijn esthetisch alleen te genieten wanneer je er bovenop gaat staan:
omdat dát de enige plaats is van waaruit je ze niet kan zien.
(Gerrit Komrij, Heremijntijd)

 

Een schouwburg van twaalf miljoen (Eindhoven, MB)
waar we voor honderdtwintig jaar mee opgescheept zitten.
De stoep is hier het mooist, want dan weet je nog niet wat er komt.
(Wim Kan, De dagboeken van Wim Kan 1968 - 1983, 03-03-1969, blz. 24)

 

Openbare gebouwen kunnen aan de buitenkant de geschiedenis vasthouden,
als ze in gebruik blijven zal de binnenkant de kleur aannemen van het heden.
(Connie Palmen, De wetten, blz. 46)

 

Een lelijk gebouw hindert gemiddeld zeg maar duizend voorbijgangers per dag,
dat zijn er 365 000 per jaar, dat zijn er 3 650 000 per decennium.
Ik voeg dat eraan toe omdat ik voorstander ben van een wet op visuele hinder,
zoals je een wet hebt op luchtvervuiling.
(Herman de Coninck, De flaptekstlezer, blz. 8/9)

Gedachten

Die gedachten ken ik.
Hebt u er zelf ook nog een paar?
(Gerrit Komrij, Heremijntijd)

 

Niets is gevaarlijker dan een grote gedachte in een leeg hoofd.
(Frans van Damme, Gedachten,
aangehaald in Gerd de Ley, Aforistisch bestek 1944-1974, blz. 113)

 

Gettovorming is slecht, lees ik altijd in de beschouwingen van weldenkende mensen.
En omdat ik de meeste gedachten aan andere mensen ontleen
(ik kan namelijk slechts een heel klein deel van de wereld overzien
en moet me door de rest laten leiden als een blinde,
in de hoop dat ik achter een verstandige hond aanloop),
heeft gettovorming een negatieve klank in mijn hoofd gekregen.
(A.L. Snijders, Dapperstraat'ta, Gelders Dagblad, 09-03-'96)

 

De gedachten kwamen nog wel, in overvloed zelfs,
maar ze hadden zo goed als niets meer met elkaar te maken,
en lieten zich niet meer in een betoog of rangschikking van enige geldigheid onderbrengen.
(G.K. van het Reve, Nader tot u, blz. 50, Brief door tranen uitgewist)

 

Wij spelen met gedachten.
Bij die gedachten zijn altijd een of meer lievelingsgedachten
waar we vaker mee spelen dan met de andere;
nu kunnen we met onze lievelingsgedachten zoveel spelen,
dat ze tenslotte met ons gaan spelen en dan zijn we gek.
Meestal begint krankzinnigheid met gekheid.
(Belcampo, Al zijn fantasieën, blz. 90, Het laatste getuigenis)

 

Waarnemingen kosten tijd, gedachten niet,
dat merk je 't beste als je droomt.
(Belcampo, Al zijn fantasieën, blz. 125, Het verhaal van Oosterhuis)

 

Het kluchtige bij mensen die van gedachten wisselen is dat ze er meestal geen hebben.
(Karel Jonckheere, Filter uw dag, blz. 9)

 

Maar soms kon hij afwezig voor zich uit staren,
of hij vond dat gedachten er zijn om ze te laten afdwalen.
(Marga Minco, Nagelaten dagen, blz. 79)

 

Die vrije gedachten van hem roeren zich danig in het potje van de geest,
of beter: er zijn geen gedachten, er is alleen het roeren.
(Robert Anker, Een soort Engeland, blz. 67)

 

Ik houd niet van gedachtenwisseling.
Ik weet niet wat ik met eens andermans gedachten moet aanvangen
en ik vind het onwaardig de mijne aan een ander op te dringen.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 38)

 

Maar gedachten gisten als jenever.
Je neemt er telkens nog eentje in de hoop dat hij de smaak van alle vorige weg zal spoelen.
(Arthur Japin, De zwarte met het witte hart, blz. 310)

 

Hoe meer zielen hoe minder gedachten.
(Gust Gils, Berichten om bestwil, blz. 123)

 

De gedachtenwereld bestaat niet in de mensen,
hij is de onzichtbare ruimte tussen de mensen,
en de mensen zijn dol ende lege plekken in die ruimte.
(Gust Gils, Berichten om bestwil, blz. 187)

 

De gedachten lopen altijd vooruit.
Die zien te ver,
veder dan het lichaam dat in het heden verkeert.
(Albert Camus, Dagboek, blz. 49)

 

Nu had ik niet de illusie dat zoiets nooit eerder gedacht of gezegd was;
met x-miljard mensen op aarde is de kans op nieuwe gedachten sowiese gering.
Ik meende alleen dat ik het zelf niet eerder gedacht of gezegd had.
(Koos van Zomeren, Alles is begonnen, blz. 64)

 

Al te vaak denk ik dingen die een mens niet hoort te denken.
Het gebeurt gewoon, ergens in mijn hoofd.
En wat erger is: ik spreek die gedachten uit.
Dat komt omdat ze mijn hoofd bezetten en terroriseren
en geen ruimte laten voor andere gedachten,
gedachten die gepaster zijn.
(Kristien Hemmerechts, De dood heeft mij een aanzoek gedaan, blz. 46)

Geduld

'Geduld is het geheim van de overwinning, ongeduld een teken van zwakte.'
Ik wist dat hij hier Tjokroaminoto citeerde;
Moeljono had die uitspraak met striemende woorden gegeseld.
Maar hij hervatte: 'Haast is waardeloos.
Waar daar het gevolg van is, kan geen waarde hebben.
Dingen groeien uit zichzelf en wij groeien mee.
Als we geroepen worden, zullen we er zijn.
(Cornets de Groot, Tropische jaren, blz. 110)

Geheim

Geheim, zwaar woord voor één nachtje met een andere vrouw.
Er moest een woord bestaan voor iets dat je maar beter voor je kon houden,
een woord dat minder gewichtig was, niet zo met zeven sloten erop.
(Vonne van der Meer, Eilandgasten, blz. 19)

 

'Een geheim weegt niets,' zei de eekhoorn.
'Je hoeft het niet te verstoppen
en als je het vergeet bewaar je het juist goed'
(Toon Tellegen, Toen niemand iets te doen had, blz. 122)

Geheugen

Goed geheugen.
Om zoveel te kunnen onthouden moet hij weinig hebben geleefd.
(J.A. Emmens, Autobiografisch woordenboek, blz. 39)

 

'Mijn geheugen gaat achteruit'
'Dan heb ik nog honderd gulden van je te goed'
(VN, Terzijde, 10-05-97)

 

Geheugen is het pijnlijk onvermogen om te vergeten.
(Alexander Pola, Nou èn...? Handleiding voor optimisten, blz. 68)

 

De vergelijking van het geheugen met een zeef is nog niet zo gek.
Het is alleen niet te regelen wat door de zeef heen verloren gaat en wat blijft liggen.
Je onthoudt wat je mag vergeten en vergeet wat je zou moeten onthouden.
(Hans Warren, in Ik herinner mij, blz. 191)

 

Men spreekt wel van een fotografisch geheugen.
Mocht er inderdaad zoiets bestaan,
dan heb ik een fototoestel met nogal wat kuren in mijn kop zitten.
(Bob den Uyl, in Ik herinner mij, blz. 174)

 

Mijn geheugen is als het werk van een drankzuchtige archivaris:
het vertoont gaten en verdichtingen, de kaartenbakken zijn omgevallen, de fiches in haast weer bijeengeraapt.
Soms is er maandenlang niets verzameld, dan weer is er koortsachtig maar lukraak gewerkt.
Er is een ladenkast vol herinneringen, maar waar zijn de herinneringen
die mij kunnen helpen bij het beantwoorden van de vragen die mij nu uit mijn slaap houden?
(Karel Glastra van Loon, De passievrucht, blz. 22)

 

De archieven van je geest kennen geen index, hooguit een paar trefwoorden.
Meer is waarschijnlijk ook van geen belang.
(Arthur Japin, De zwarte met het witte hart, blz. 23)

 

Het geheugen is een verschrikkelijk leesboek,
dat men niet sluiten kan,
wanneer men doodmoe en doodzwak is.
(Jacob Israël de Haan, Besliste volzinnen, blz. 13)

 

Een goed geheugen is het fundament van een evenwichtige geest,
maar vaak houdt de herinnering zich aan haar eigen prioriteiten.
(J.H. Donner, Van Computers, Politiek, Amsterdam & een klein meisje, blz. 106)

 

Het geheugen is op z'n best een gebrekkige, verwrongen vergaarbak.
(John Steinbeck, Reizen met Charley, blz. 11)

 

Hopelijk heb ik U vorige week niet reeds gemeld, wat ik nu zou willen zeggen.
Want ik krijg stilaan een memorie gelijk het stramien dat grootmoeder vroeger gebruikte:
met allemaal gaatjes in, waarlangs niet alleen het water maar ook de spinazie wegstroomde.
(Louis Paul Boon, Memoires van Boontje, blz. 106)

 

Ik heb het onvoorwaardelijk vertrouwen in mijn geheugen verloren,
omdat ik zijn werkwijze niet meer begrijp.
Als ik een verhaal over vroeger vertel
in het bijzijn van iemand die het meemaakte en er een andere herinnering aan heeft,
kies ik niet meer automatisch voor de mijne.
Mijn herinneringen zijn oncontroleerbaar, soms juist, soms onjuist,
ik weet niet welke ik moet kiezen.
(A.L. Snijders, Bordeaux met ijs, blz. 207)

Een gebrekkig geheugen zoals jij zegt te bezitten lijkt me een handicap van jewelste,
maar misschien een gelukzalige handicap,
als je tenminste een sentimentele inborst hebt.
mocht je echter nuchter van aard zijn dan kun je zo'n geheugen trainen,
en opkrikken met vitamine B-complex.
Ik heb een geheugen als een olifant,
en op het gebied van de letteren is dat een zegen,
op het gebied van de beslommeringen is dat een vloek.
De verzameling herinneringen die ik tors is onovertroffen,
behalve dan door grote schrijvers.
(Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld, blz. 33)

 

Mijn geheugen is zeer goed in het onthouden, heb ik eens geschreven,
met de toevoeging: het onthoudt mij zo goed als alles.
Een beetje flauw misschien, maar wel raak,
vooral omdat het een uitspraak is die op waarheid berust
en dat gaat maar voor zeer weinig uitspraken op.
(L.H. Wiener, Eindelijk volstrekt alleen, blz. 206)

Met het geheugen weet men nimmer zeker waar men aan toe is,
aangezien de herinneringen die daar liggen opgeslagen
onderhevig zijn aan mutaties en niet zelden aan bederf,
en dan verdwijnen in een geestelijke put die gemeenlijk als onderbewustzijn wordt aangeduid.
Waarmee allerminst gezegd wil zijn dat het onderbewustzijn een soort beerput is,
al verdient het toch wel vaak aanbeveling om het deksel dicht te laten
en over iets anders te beginnen.
((L.H. Wiener, Shanghai Massage, blz. 300)

Geiten

Op een dag, dit verhaal speelt in de dagen dat rabbi's wijze mannen waren
en de mensen hun raad vroegen en opvolgden, kwam meneer Levi bij zijn rabbi.
Hij was wanhopig. Zijn vrouw was ziek, hijzelf was werkeloos,
met hun zes kinderen woonden ze in één kamer
en hadden niet te eten. Wat moest hij doen?
De rabbi dacht lang na en zei toen: 'Neem een geit.'
Een maand later kwam de heer Levi terug: de situatie was nu ondragelijk geworden,
met die zieke vrouw, die jengelende kinderen, dat ene kamertje
en een geit die overal kakten pieste.
'De stank, rabbi, dat is het ergste,' zei meneer Levi.
Wederom dacht de rabbi na en zei toen: 'Doe de geit weg.'
(Renate Rubinstein, Nee heb je (budget-boek), blz. 46)

Gek(ken)

Gekken vind je overal.
In tal van landen vormen zij zelfs de meerderheid van de regering.
(C. Buddingh', Dagboeknotities 1977-1985, blz. 407, 3-3-1980)

 

Men dient te pogen overal het beste van te maken wat mogelijk is, anders wordt men gek.
Daarom ook was ik rooms-katholiek geworden, op eigen initiatief.
Op die manier werd ik niet gek, wat een voordeel was.
Gek zijn is op zichzelve wel goed, maar men zit er mede.
(Gerard Reve, Het boek van violet en dood, blz. 31)

 

De zgn. gek onderscheidt zich daardoor van de normale mens,
dat zijn gedachtegangen te sterk subjectief zijn,
dus niet voldoende bij de objectieve wereld en haar eisen aangepast.
In de droom en in het hiernamaals vervalt dit criterium,
zodat het rijk der geesten als het bestaat,
eigenlijk een rijk is van wat wij noemen - hopelijk zalige - waanzin.
(Louis Hoyack, Gedachten en aphorismen, blz. 37)

 

Het enige verschil tussen mij en een gek is, dat ik niet gek ben.
(Salvador Dali, Mijn leven als genie, blz. 6)

Geld

Mijn ongeluk is in Holland geboren te zijn,
het land waar slechts één gezag geldt,
één geloof, één god: geld!
(Multatuli, De raadselachtige Multatuli, W.F. Hermans, blz. 5)

 

Geld moet rollen;
vooral vlug, dan stinkt het minder.
(Jan G. Elburg, toch nog een morsig schip
- opgeruimde kanttekeningen, Maatstaf maart 1973, blz. 769)

 

Maar misschien was het eenvoudig een oefening in zuinigheid, die zij mij oplegde voor mijn eigen welzijn.
Was dat inderdaad haar bedoeling, dan heeft haar pedagogie jammerlijk gefaald,
want zodra ik later enig geld in handen heb gekregen,
heb ik het roekeloos door deuren en vensters gesmeten.
Pedagogie is ook niet alles.
(Marnix Gijsen, Klaaglied om Agnes, blz. 7)

 

Geld is trouwens nog zoiets. Uit wiens zak komt het in dit geval?
Of komt het uit het preutse gleufje van een portemonnee?
Allemaal vragen.
(Herman de Coninck, De flaptekstlezer, blz. 18)

Gelijk

U weet dat abbé D'ailly heeft gezegd,
dan men zich minder druk maakt om gelijk te hebben,
dan om de schijn te wekken dat men gelijk heeft.
(Dr. Marc Galle, Voor wie haar soms geweld aandoet, deel 2, blz. 70)

 

Zij vragen alleen maar wat de vader doet.
Als hij zegt dat vader uit is gegaan om een krant te halen
vragen ze hoe lang geleden hij wegging.
Vijf minuten geleden antwoordt hij altijd.
Dat vinden ze niet leuk.
Gelijk krijgen dat vinden ze prachtig!
Zij vinden het fijner om gelijk te krijgen dan om de waarheid te weten.
(Stig Dagerman, Het verbrande kind, blz. 48)

 

Men vergeeft iemand zijn ongelijk,
maar men vergeeft hem niet de wijze waarop hij beweert gelijk te hebben.
(Multatuli, Liefdesbrieven, blz. 161, Brieven aan Everdine, 1 Februarij 1845)

 

Men kan geen gelijk krijgen,
want wie het krijgt gevoelt het als een sneeuwbal tussen zijn vingers versmelten.
(J. Greshoff, 444 aforismen, blz. 92)

 

Ga liever die brief niet schrijven,
Met de scherpe pen van gelijk
Op geschept papier van zo is het,
Want morgen zul je hem langzaam
In repen scheuren want het brandmerk
In de rug, van gelijk, is ondragelijk.

(J.B. Charles, Waarheen daarheen (fragm.), Poëtisch akkoord, blz. 66)

 

Het gebeurt mij vaak in een redetwist,
dat mijn tegenstander onmiskenbaar gelijk heeft,
doch op een wijze welke mij het ongelijk doet verkiezen.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 173)

 

Ik wéét dat ik geen gelijk heb.
Doch het troost mij, dat de heer X, mevrouw Y of mejuffrouw Z het óók niet hebben.
En dat zij het niet kunnen hebben, omdat het lekker niet bestaat.
(J. Greshoff, Volière, blz. 170)

 

Hoe dit ook moge wezen : dat dubbeltjes allemaal gelijk zijn en allemaal evenveel waard, staat vast.
En toch prijkt het ene dubbeltje op een fluwelen kussentje in de verzameling van een muntenverzamelaar
en het andere leidt een treurig, voortdurend door verhuizing bedreigd bestaan
in de onsmakelijke broekzak van een landloper.
(W.F. Hermans, Boze brieven van Bijkaart, blz. 25)

 

De behoefte om gelijk te hebben.
kenmerk van een vulgaire geest.
(Albert Camus, Dagboek, blz. 23)

 

Gelijk hebben is niet hetzelfde als gelijk krijgen
en gelijk krijgen onderhoudt geen enkele relatie met de waarheid.
Iedereen die gelijk heef weet dat dit zo is.
(L.H. Wiener, Eindelijk volstrekt alleen, blz. 51)

Gelijkenissen

Een gelijkenis is een verhaal dat je aan de voordeur aangenaam bezighoudt,
terwijl de waarheid naar binnen glipt door een zijraam.
(Adrian Plass, De Schrijversclub, blz. 5)

Geloof

In de middeleeuwen viel de denkgrens met de geloofsgrens samen.
Geloven was weten.
(Godfried Bomans, Korte berichten)

 

Geloven en weten zijn twee rails,
die evenwijdig lopen en elkaar nooit ontmoeten,
behalve bij het kind.
(Godfried Bomans, Korte berichten)

 

De zekerheid dat God bestaat noemen wij geloof.
(Wim Kan, Soms denk ik wel eens bij mezelf..., blz. 21)

 

Het was een soort geloof dat Phiny en ik allebei hadden.
Niet aan een God
- want het was duidelijk dat die al lang de handen van ons had afgetrokken,
of gewoon maar een weddenschap met Satan verloren had.
Het was de overtuiging dat iedere daad zijn eigen gevolgen heeft.
Wanneer je de tak waar je op zit, doorzaagt,
val je naar beneden zonder dat God daar de hand in heeft.
(Marten Toonder, Het geluid van bloemen, Autobiografie 1939-1940, blz. 260)

 

Geloof is het volhouden dat de waarheid datgene is,
wat je zou willen dat het was.
(Alan Watts)

 

Bijgeloof is ieder geloof dat men niet deelt.
(Maurits Mok, Cartons voor letterkunde,
aangehaald in Gerd de Ley, Aforistisch bestek 1944-1974, blz. 131)

 

Theorie en praktijk
Geloof niet op gezag, meneer.
Onthou dit wel terdegen,
Geloof alleen wat ik u leer
En spreek mij nimmer tegen.
(P.A. De Genestet, In: De wereld heeft twee aangezichten,
Proza en poëzie van 1700 tot 1880, blz. 166)

 

Ik heb dat rare geloof
als een jasje uitgedaan.
Ik was nog maar veertien jaar
en voelde me begenadigd,
als was er een wonder geschied.
(Jan Eijkelboom, Gedragen kleding (3), in Willem Wilmink, Kinderen, blz. 181)

 

Als ik ooit nog in God ga geloven, en die kans zit erin
is het omdat hij de kat, de vlieg, de pad en het zeepaardje heeft geschapen.
Wat me van het geloof afhoudt, is de mens.
(C. Buddingh', Dagboeknotities 1977-1985, blz. 134, 19-01-1978)

 

Toevallig bracht de dominee die ook ter sprake, God dus,
maar hij wist mij niet mede te slepen.
Je moest iets geloven, begreep ik,
en als je dat geloofde dan was het daardoor waar.
Ik was geen schriftgeleerde, maar ik vond die voorstelling niet juist.
Iets was waar, en daarom geloofde je het, dacht ik,
en je moest het er mede eens zijn, maar zelfs dat was niet altijd nodig.
(Gerard Reve, Het boek van violet en dood, blz. 168/169)

 

Ik heb er niets op tegen dat eenvoudige mensen zich aan het geloof overgeven.
Mensen zijn armetierig en hebben iets armetierigs nodig
om zich uit hun armetierigheid te redden.
(Gerrit Komrij, God noch gebod, HP/De Tijd, 28-02-97, blz. 46)

 

De pest van 't geloof uitteroeien,
is de plicht van ieder die 't wel meent met de Mensheid.
(Multatuli, Ideeën Tweede bundel, blz. 334, idee 528 (ged.))

 

Het maakt kortom niets uit of je gelovig dan wel ongelovig bent.
Er verandert totaal niets in je leven.
Bij gelovigen staan er wat aminozuren in de hersenen de andere kant op gericht,
waardoor ze God, Jezus en eventueel de drijvende bijl voor waar aannemen,
maar dat is dan ook het enige verschil tussen gelovigen en ongelovigen.
(Maarten 't Hart, Wie God verlaat heeft niets te vrezen, blz. 100)

 

Predik het geloof totdat je het hebt, en dan zul je het prediken omdat je het hebt!
(Friedrich Nietzsche
, Morgenrood, blz. 199, Afzijdig leven en geloven)

 

Het geloof had voor haar altijd eerder een sociale verplichting dan een innerlijke behoefte geleken.
(Koos van Zomeren, Oom Adolf, blz. 83)

 

Het op het oog zo stijve geloof van Glerum
(hij is ouderling, ook uiterlijk het volmaakte type daarvan)
is enkel façade:
'De religie is geschikt om de mensen een beetje aan banden te houden
en daarmee basta!'
(Hans Warren, Geheim dagboek 1978-1980, blz. 71/72)

 

HET GELOOF
Zwart is wit
Koud is warm
God is liefde.
(Kees Stip, Geen punt, blz. 7)

 

Onze moeder geloofde in God en de koningin.
Ze kon dus nooit gelijk hebben,
maar we lieten haar geduldig uitspreken.
(Nelly Heykamp in: Ik herinner mij, blz. 87)

 

Ik heb geen bezwaar tegen het geloof, maar wel tegen de rare dingen die men mij wil laten geloven.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 51)

 

Het geloof in de dood als het volstrekte einde is ook een geloof.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 52)

 

Er bestaan geen ongelovigen.
Slechts mensen die geloven dat zij geloven en mensen die geloven dat zij niet geloven.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 52)

 

Het regent, maar ik geloof het niet
en zo blijf ik droog, ook als het giet.
Ziet, wat het geloof vermag
Op zo'n natte najaarsdag:
Geen parpalu, maar ik blijf droog,
Ik steek mijn wandelstok omhoog.

(John O'Mill, Faith, Puure piffle, blz. 44)

Geloof is bij de eersten bekeering, bij de lateren traditie.
(J.C. Bloem, Aphorismen, nr. IX)

Het geloof, dat door de rede gerechtvaardigd moet worden,
blijft even redeloos als de rede,
die door het geloof gerechtvaardigd moet worden.
En toch, een ander geloof en een andere rede zijn er niet.
(Victor E. van Vriesland, Vereenvoudigingen, blz. 10)

 

Ze geloofde niet in God, maar verder in alles:
aardstralen, handoplegging, transcendente meditaite,
waarzeggerij, helderziendheid en reïncarnatie.
(Hans Dorrestijn, Finale kwijting, blz. 103)

 

Ieder geloof. Hoe mooi ook de rituelen en hoe prachtig de verhalen,
drijft in diepste wezen de spot met de menselijke waardigheid.
(Kees Klok, Mijn koffers gepakt, blz. 30)

 

Het geloof is een particuliere aangelegenheid geworden
en de ideologie kreeg een kippevel verwekkend gezicht.
Hun functie als smeltkroes en vangnet, als fundament
en overkoepeling van onze gedachten bestaat niet meer.
(Gerrit Komrij, De gelukkige schizo, blz. 9)

Geloof, hoop en liefde

Er kwam een jongedame op bezoek om me te ondervragen over geloof, hoop en liefde.
Het leek me makkelijk:
ik geloof nergens in, ik hoop op niets en de liefde komt vanzelf.
(A.L. Snijders, Brandnetels & verkeersborden, blz. 86)

Geloven

De mensen geloven nooit iets wat iemand zo maar zegt,
vooral niet op 't gebied van schoonheid.
Heb een Rembrandt, niemand zal 't geloven als er niet een attest bij is van een erkend deskundige.
De mensen willen eerst attesten zien
en dan pas kunnen ze rustig hun schilderij bezien.
(Belcampo, Al zijn fantasieën, blz. 290, Het hardnekkige verlangen)

 

Ik denk allang niet meer dat mensen slechte dingen doen omdat ze geloven.
Het is eerder andersom, het is eerder zo dat ze geloven omdat ze slechte dingen doen.
(Koos van Zomeren, Naar de natuur, blz. 55)

Geluiden

Sommige dorpen bevinden zich aan het einde van de wereld. Esperance is zo'n plaats.
Het scherpe hoesten van een oude auto die pas na vijf keer start,
reist vanuit de hoofdstraat ongehinderd naar de omringende leegte, om daar te vervliegen in de stilte.
Het is zo anders dan in de stad, waar geluiden botsen en weerkaatsen,
net als biljartballen nooit reizend naar het einde van de rechte lijn.
(Pauline Slot, Zuiderkruis, blz. 52)

Geluk

Geluk wordt pas zichtbaar, als het voorbij is.
(Godfried Bomans, Korte berichten)

 

Geluk is een toegift op iets, wat niet als geluk wordt gekocht.
Probeer het apart te kopen en het leven stopt u iets raars in de handen.
(Godfried Bomans, Korte berichten)

 

Iedereen ontdekt vroeg of minder vroeg in zijn leven dat het volmaakte geluk onbereikbaar is,
maar weinigen staan stil bij de tegenovergestelde gedachte:
datzelfde geldt voor het volmaakte ongeluk.
(uit Primo Levi: Is dit een mens,
Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, 2 november, blz. 308)

 

"Toon me een gelukkig mens
en ik zal u duidelijk maken dat zijn geluk bestaat uit zelfingenomenheid, egoïsme, kwaadaardigheid
- of anders uit volslagen onwetendheid."
(Graham Greene, aangehaald door Ward Ruyslinck, Het reservaat)

 

Alles wat je méér hebt dan niks
is eigenlijk al meer dan je mocht verwachten.
(Gerrit Komrij, De buitenkant, blz. 49)

 

Heerlijk, de vogeltjes van boom tot boom zien fladderen.
En dan met je sigaartje in je hoofd op een tuinbankje zitten,
hondje bij je voeten, het snorren van hommels in de verte,
een klaproos die zacht open en dicht gaat - heerlijk.
Ach, geluk is goed, hoor, maar het moet wel voorbijgaan.
(Gerrit Komrij, De buitenkant, blz. 49)

 

Geluk zit in heel kleine dingen:
Een dammer, die fijn heeft gedamd,
Of een jongetje, dat door zijn vader
Nog nooit in elkaar is geramd.
(Herman Finkers, Geluk, 1987,
in: Jacques Klöters en Kick van der Veer,
Ik zou je het liefste in een doosje willen doen, blz. 451)

 

Men mag het geluk aanvaarden.
Men mag het niet op zijn duurzaamheid beproeven.
(Bertus Aafjes, De Italiaanse postkoets, blz. 29, De Franse stoelenmatters)

 

Het gedicht van Virginie doet denken aan een anekdote,
toegeschreven aan (Paul Abraham,
componist van operettes als Viktoria und ihr Husar en Di Blume von Hawaii.
Hij had als jood naar Amerika moeten vluchten en toen ze hem daar vroegen:
'Are you happy here, mister Abraham?' was het antwoord:
'Yes, I'm happy here; aber nicht glücklich.'
((Willem Wilmink, Kinderen, blz. 112)

 

(Lodewijk van Deyssel noteerde op 18 november 1938 in zijn schrijfcassette:
"Terwijl het eigenlijke geluk maar voor weinigen ervaarbaar is,
is vrolijkheid het geluk in zijn algemeen-menselijke alledaagse verschijningsvorm."
(Jacques Klöters, Omdat ik zoveel van je hou, blz. 7)

 

Wanneer onze toestand werkelijk gelukkig was,
zouden we geen verstrooiing nodig hebben om er niet aan te denken.
(Blaise Pascal, Gedachten, HP/De Tijd, 18-04-1997, blz. 51)

 

gelukkige gezinnen lijken op elkaar,
elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.
(Lev Tolstoj, Anna Karenina,
geciteerd door Willem Kuipers in ISBN van de Wereldliteratuur, blz. 140)

 

Dort wo du nicht bist, dort ist das Glück.
(Godfried Bomans, Werken I, blz. 791, Dagboek van Rottumerplaat, Vrijdag 16 juli 1971)

 

Want men moet nooit te lang verwijlen
In den warmen schoot van 't geluk:
De schoonste illusies verijlen
Onder een voortdurenden druk.
(Bertus Aafjes, Reizen (fragment), De muze op reis, blz. 7)

 

'Geluk is het verlangen naar herhaling.'
Milan Kundera - De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, blz. 238, 16-09-1987)

 

Omdat het de bestemming van de mens niet is om gelukkig te zijn.
van geluk wordt je geen steek wijzer.
Je leert slechts van pijn en verdriet en leed;
je komt alleen maar verder door ongeluk.
(Maarten 't Hart, De kroongetuige, blz. 30)

 

Het echte geluk bestaat hooguit in de illusies daarover.
(Erasmus, Geciteerd door A. v.d. Glind, Erasmus, Europeaan, humanist, christen, blz. 25)

 

Ik staarde haar aan, en vraagde of zij gelukkig was,
hetgeen: 'ja' ten antwoord kreeg.
Bij nader gesprek bespeurde ik dat dit 'ja' zeggen wilde:
ik krijg genoeg te eten, mijn kinderen hebben geen rood haar, bogchels of kromme beenen,
en mijn man slaat mij niet!
(Multatuli, Liefdesbrieven, blz. 9, Brieven aan Everdine, 28 september 1845)

 

Geluk hebben is groter zijn dan je bent, even.
(Kees van Kooten, Heel even god, Omnibest, blz. 179, (Koot graaft zich autobio))

 

Ik herinner me het geluk.
Het was zo groot dat het pijn deed.
(Connie Palmen, I.M., blz. 41)

 

Het geluk was niet de vrijheid van ketenen,
maar de bevrijding van ketenen.
Ketenen waren onmisbaar voor het geluk!
(Harry Mulisch, De ontdekking van de hemel, blz. 33)

 

Het individu, in zoverre het op zijn geluk uit is,
dient men geen voorschriften te geven aangaande de weg tot het geluk:
want het individuele geluk ontspringt aan eigen, eenieder onbekende wetten,
het kan met voorschriften van buitenaf slechts verhinderd, afgeremd worden.
(Friedrich Nietzsche, Morgenrood, blz. 81, Enige thesen)

 

Mensen die maar blijven wachten op het geluk, die wachten op iets wat nooit komt.
Geluk ligt niet voor het oprapen.
Het is niet het grote, geheime geschenk dat het leven voor iedereen in petto heeft
en ergens voor jou verborgen houdt om op het juiste moment aan jou uit te reiken,
omdat je er recht op hebt.
Niemand heeft recht op geluk.
(Connie Palmen, De vriendschap, blz. 214)

 

Er zijn dus verschillende manieren om gelukkig te zijn, dacht ik.
Misschien zijn mijn vader en moeder ook wel gelukkig. Ik weet het niet.
Ze kijken vaak heel ernstig.
Misschien heb je een vrolijk soort geluk en een ernstig soort.
(Toon Tellegen, Mijn avonturen door V. Swchwrm, blz. 62)

 

Want wie weet dat hij sterfelijk is, kan niet gelukkig zijn;
met zo'n somber vooruitzicht valt niet te leven.
Het enige dat erop zit, is om dat wat je weet af en toe te vergeten.
(Midas Dekkers, De koe en de kanarie, blz. 104)

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

(J.C. Bloem, De Dapperstraat (fragm.),
Domweg gelukkig in de Dapperstraat, C.J. Aarts en M.C. van Etten, blz. 192)

 

Ik geloof wel dat er gelukkige mensen zijn.
Er is natuurlijk een reusachtig verschil tussen een gelukkig mens,
een mens die niet voelbaar gelukkig is en een ongelukkig mens.
Ik ben sóms een gelukkig mens.
Gelukkig zijn zonder meer is een absurditeit,
het is gewoon een gebrek aan problematiek.
(Bertus Aafjes, in José de Ceulaer te gast bij Nederlandse auteurs, blz. 14)

 

De gierigaard zoekt zijn geluk in den groeienden goudhoop
En het jonge meisje in een feestbal;
Allen reppen zich haastig als rustlooze motoren,
Jagen blind door het leven als in zinlooze sneeuwjacht,
Maar ik ben terzijde getreden uit den razenden wedloop
En verheug me als een lichtstraal in de' eenzamen zang van de stilte.

(Margot Vos, Meditatie (fragm.), De windharp, blz. 58)

 

Lang geleden geloofde ik dat geluk iets was wat je alleen in herinnering proefde
of hoopte in de toekomst.
(Dick Hillenius, Eilanden bestaan niet, blz. 36)

 

Soms denk ik dat geluk is het besef dat je iets ontmoet dat groter is dan je zelf,
waartegen verzet of opbieden niet mogelijk is, waaraan je je dus gewonnen moet geven,
in vroeger terminologie een vrouwelijk gevoel dus.
(Dick Hillenius, Eilanden bestaan niet, blz. 37)

 

En beter is het niet tè schoon te zijn
En niet te machtig en vooral - vooral
Niet tè gelukkig; want geluk is nauw
Der goden deel, doch menschen voegt het niet.

(Geerten Gossaert, Euphorion (fragm.), Experimenten, blz., 42)

 

Een van de vreemde dingen van deze tijd is, dat het je kwalijk wordt genomen als je je gelukkig voelt.
(C. Buddingh', En in een mum is het avond, blz. 125, 09-03-1973)

 

Het woord gelukzoeker heeft terecht een ongunstige betekenis.
Het geluk is de beloning voor hem die niet zoekt.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 42)

 

Geluk, voorzover dat bestaat,
ligt in een volkomen onafhankelijkheid van lof of blaam,
van liefde en haat, van iedere medemenselijke gemeenschap.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 105)

 

Het geluk is de vrijheid krijgen om te blijven zoeken naar het geluk.
(Hugo Raes, Trapezewerk in het luchtledige, blz. 42)

 

Hoe dun is ons geluk, hoe klein
Grabbelen we aan ons ijl terrein
Als spreeuwen aan het raamkozijn.

(Leo Vroman, Jubileum (fragm.), Tirade 242, januari 1979, blz. 25)

 

Hij voelde hoe een glimlach over zijn gezicht trok,
hij was allerminst gelukkig
maar voelde zich opgenomen in een sfeer van welbehagen.
(Cola Debrot, Mijn zuster de negerin, blz. 44)

 

De meeste mensen zijn pas gelukkig als de buitenwereld denkt dat zij gelukkig zijn.
(Theo Kars, Aantekeningen, Maatstaf, Febr./maart 1974, blz. 27)

 

In een vitrine en gaat aan het werk.
Wie ernaar vraagt krijgt het te zien,
Onder weloverwogen commentaar.

(Mark Boog, Geluk (fragment),
De 100 beste gedichten van 2005, blz. 23)

 

Een beetje zon en wat geluk. Een meisje dat ons glimlachend gegroet heeft,
de lach van een kind in een stille straat, een kermisdag met vlaai en ballonnetjes in de lucht,
een schone zomeravond waarin we lang bij lang in de tuin op de bank zaten en maar niet konden slapen gaan.
Het zijn maar kleine en onbelangrijke dingen,
maar juist deze zijn het die hun gewicht in de schaal werpen en deze naar "geluk" doen overslaan.
(Louis Paul Boon, Boontjes 1966, 6/1, blz. 15)

 

Geluk is zo moeilijk meetbaar,
dat veel mensen niet precies weten of ze gelukkig dan wel ongelukkig moeten worden genoemd.
De maat van het geluk kun je - hardop tenminste -
moeilijk anders vaststellen dan door vergelijking met het geluk van anderen.
(W.F. Hermans, Boze brieven van Bijkaart, blz. 282)


Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,
't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

(J.C. Bloem,
De nachtegalen, in: Avond, blz. 9)

 

Men moet over zijn geluk steeds spreken alsof men er aan gelooft,
want anders is het verloren.
(Jacob Israël de Haan, Besliste volzinnen, blz. 22)

 

Gelukkig zijn met weinig is net als tennissen of biljarten een kwestie van oefening.
Hij heeft lang geoefend en uiteindelijk is het hem gelukt.
(Arnon Grunberg, De asielzoeker, blz. 9)

Jarenlang heeft hij geprobeerd zichzelf gelukkig te maken,
maar dat was een doodlopende weg.
Wie zichzelf gelukkig probeert te maken komt op een verroest zijspoor terecht,
het nastreven van eigen geluk komt neer op het binnendringen van de hel.
(Arnon Grunberg, De asielzoeker, blz. 12)

 

Groot geluk bestaat niet,
alleen lijden is groot, geluk nooit.
(Arnon Grunberg, De asielzoeker, blz. 12)

 

De mate van geluk wordt misschien bepaald
door het in welke nuance aanwezig zijn van het gevoel ergens mee bezig te zijn
en het juiste te doen.
(K. Schippers, De dichter als De koe, blz. 45)

 

Ik was in die eerste jaren van mijn leven zo gelukkig
dat ik mij er niets meer van herinner.
(Maarten 't Hart, Het roer kan nog zesmaal om, blz. 23)

 

Het geluk is een zeldzame diamant, die men meestal vindt in een droge rivierbedding.
(Bertus Aafjes, Zeventig aforismen, nr. 14)

 

Geluk is iets wat je pas begint te benoemen als je het niet meer kunt vinden.
(P.F. Thomése, Schaduwkind, blz. 8)

 

Het geluk lacht ons toe en fluistert kleine dingen
Zoals kijk eens in het hoekje, misschien val ik je ten deel
Het geluk zegt: Neem de ruimte, ontspan en wees jezelf
Het geluk heeft mooie woorden, maar het praat wel een beetje veel
(Maarten van Roozendaal, Geluk (fragm.), Het wilde westen)

 

De afwezigheid van het één
impliceert niet dat het omgekeerde het geval is.
(Marcel Möring, Het beloofde leven, blz. 20

 

De meeste mensen zijn ongelukkig,
omdat ze gelukkig willen zijn.
(Marcel Möring, Schrijversdagboek (2), Liter 71, sept. 2013)

 

Geluk
Een steen tegenkomen in een hap krentenbrood
zonder er eerst op gebeten
te hebben. Een groot geluk, vol diepe geruststelling.
(Chris van Geel, Het lichte gedicht, blz. 123)

 

Ik ben gelukkig, ook al zie ik het niet.
Te veel ontevreden met alles.
Te weinig tevreden met niets.

(Stef Bos, Gelukkig, Kloofstraat)

 

Mijn geluk

Ik ben het zoeken meer dan zat:
Sindsdien heb ik geleerd te vinden.
Sinds ik de wind eens tegen had,
Zeil ik met alle winden.
(Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, blz. 19)

 

Het geluk is de kunst, het geheim en de kracht:
zich met een onverdeeld genot te lacen aan den geur der roos,
wier doorn ons bij het plukken wondde.
(Engelbert de Chateleux, Indrukken van den dag, blz. 179)

 

De illusie van geluk is niet iets anders dan geluk,
het is alleen maar geluk dat niet duurt.
(Frida Vogels, Dagboek 1954-1957, blz. 72, 24-03-1955)

 

Je bent pas gelukkig als je iets begeert dat je nooit zult kunnen krijgen.
(Kees Fens, Dat ben ik toevallig, blz. 77)

 

Ik heb inmiddels ook een kennis die beweert dat hij gelukkig is.
Hij werd het op de dag dat zijn vriendin het uitmaakte.
Zeven jaar waren ze een paar geweest.
(Daan Remmerts de Vries, Brave nieuwe wereld, blz. 12)

 

Misschien maakt dit het geluk, het twijfelachtig geluk,
van de schrijver en de kunstenaar:
zijn vermogen om pijn om te zetten in iets hards en duurzaams.
Misschien is literaire en artistieke schoonheid niets anders dan gematerialiseerde pijn.
(Leonard Nolens, Dagboek van een dichter, 15-01-1980, blz. 25)

 

Het is moeilijk te aanvaarden dat ik besta om te schrijven en niet om gelukkig te zijn.
Maar zodra ik het aanvaard ben ik tamelijk gelukkig.
Zo ligt het ongeveer.
(Lauria Langenbach, Brieven, dagboeken en een geheime liefde, blz. 108, 01-08-1977)

 

Het geluk is daar waar men niet is,
behalve met wat drank op.
(Bernlef, Buiten is het maandag, blz.34)

Gemeentebestuur

'Wie zie ik daar?' zeide de Rector, de handen tegen elkaar brengend om verrassing uit te drukken.
' Meneer Bas, de gemeente-secretaris! Wel, dat is een genoegen.
Non sunt minimi qui regunt civitatem!'
(Het zijn de minsten niet, die de stad regeeren! Cicero ad Verrem. Lib.4,3,1)
(Godfried Bomans, Werken I, blz. 91, Memoires of gedenkschriften van Mr. P. Bas)

Gemoedsrust

'Wat schort er aan, amice? Ge ziet er bewolkt uit.
Kwam uw spel patience niet uit?'
(Bewogen aanhalingen, een onthullende lijst citaten uit de verhalen van Marten Toonder, blz. 37)

Genie

Menschen als mijn arme vriend wekken in den dageraad van hun leven
de gegronde verwachting dat zij alles kunnen op elk gebied;
en zij eindigen niet zelden met op elk terrein niets te zijn.
Het schijnt dat aan den genialen mensch, wil hij waarlijk slagen,
eenige gerichtheid moet gegeven zijn,
een zekere beperking, die zijn krachten als vanzelf naar een bepaald punt doet convergeeren.
Het zeldzame voorrecht alles te kunnen brengt immers het nadeel mede voor niets aanleg te hebben.
Zulk een geaardheid kan soms door het evenwicht eener uitzonderlijke wilskracht
er toe gebracht worden om zich, met verzaking van alle ander mogelijkheden, op ééne daarvan te werpen.
(Godfried Bomans, Werken I, blz. 426, Slavenroman)

 

Het genie slaat altijd een generatie over. Wij hadden allen verstandige grootouders.
(Karel Jonckheere, Filter uw dag, blz. 72)

 

'Genieën zijn als onweer,' citeert hij Kierkegaard,
'zij gaan tegen de wind in, verschrikken de mensen, reinigen de lucht.'
(Jan Brokken, Het laatste oordeel, in Goed gebundeld 1987, blz. 44)

Genieten

'Het beste,' zegt Frits, 'kun je maar nergens verstand van hebben
en gewoon om je heen kijken en genieten.'
(Koos van Zomeren, De bewoonde wereld, blz. 198, Verstand, Uit: Het eeuwige leven)

 

De aarde wordt het best genoten
met onze ogen half gesloten.

(Leo Vroman, De eenvoud van beuken (fragm.),
in De 100 beste gedichten van 1997, blz. 119)

Genot

Ik weet niet precies hoe de hiërarchie van het genot eruit ziet,
maar een zomers ontbijt onder een boom staat op een hoge plaats.
(A.L. Snijders, Brandnetels & verkeersborden, blz. 266)

Geraamte

Het verschil tussen huizen en mensen:
een huis begint als een geraamte,
een mens eindigt als een geraamte.
(C. Buddingh', Dagboeknotities 1977-1985, blz. 378, 3-12-1979)

Gereformeerden

Wat zijn de mensen lelijk in Zuid-Afrika. Blank en zwart.
De aardigste blanken zien er uit als een soort dubbel-gereformeerden,
van onze Veluwe of zo, boers-blozend, vriendelijk, beperkt maar eerlijk.
(Dick Hillenius, Eilanden bestaan niet, blz. 27)

 

Ach, het gereformeerde geloof heeft altijd tot uitersten geleid.
In de oorlog waren er twee soorten gereformeerden: verzetslieden en NSB'ers.
(Rijk de Gooyer, geïnterviewd door Ischa Meijer, De interviewer, blz. 76)

Geruchten

Berichten die niet voor ieders oren bestemd zijn planten zich voort via grillige golflengtes.
(Tessa de Loo, Het rookoffer, blz. 25)

Geschiedenis

en hier moeten wij met nadruk een opmerking naar voren brengen.
Het is deze:
dat in zulke tijden van rust en inwendige groei, waarin de kroniekschrijver weinig van zijn gading vindt,
juist de eigenlijke geschiedenis van het klooster ligt.
Wat er dan gebeurt, onttrekt zich aan de waarneming van de historicus en het is niet vast te leggen:
en tocht: daar gaat het om, daarin vindt het klooster zijn grond en bestaansreden.
Onenigheid en verbanning zijn tenslotte,
evenals de grote feesten,
uitzonderingen in de geschiedenis van een klooster.
Zij vormen de hoogtepunten, duidelijk waarneembaar voor de buitenstaander en uitstekend te beschrijven;
doch het werkelijke leven speelt zich af in de vruchtbare valleien daartussen,
onzichtbaar, maar van beslissende betekenis.
Het gezegde: 'Gelukkige volkeren maken geen geschiedenis'
is ook op religieuze gemeenschappen van toepassing.
zodra gij van een klooster niets hoort,
wanneer er van zijn bewoners weinig of geen ruchtbaarheid uitgaat,
weet dan dat het er goed gaat.
Weet dan, dat er alle reden is om ook het geringste, wat daar gebeurt,
nauwkeurig op te schrijven.
En de paradox is, dat er dan niets te schrijven valt.
(Godfried Bomans, Werken I, blz. 584/585, Trappistenleven)

 

De geschiedenis herhaalt zich. Maar zonder ons.
(Terzijde, VN, 05-08-2000)

 

Geschiedenis is een ongecontroleerde samenloop van ongeordende,
zich aan elke logica onttrekkende reeks bizarre gebeurtenissen,
door niemand terug te roepen, door niemand van een kwaliteitskaartje te voorzien.
Catalogiseren is al wat wij kunnen, daar helpt geen lieve vadertje Toynbee aan.
Geschiedenis is de som van alle menselijke rotzooi, waar wij het beste van hopen.
(Bergman, Nagelaten werk, blz. 31)

 

Onze geschiedenis is zo afschrikwekkend maar tevens zo fascinerend
omdat ze bij herhaling het lot van talloze onschuldige en misdadige clusters
samensmelt en in haar verloop bljft veroordelen tot elkaar.
(Steven Membrecht, De zwakke partij, blz. 70)

 

Mijn onvermogen tot opletten en begrijpen strekt zich overigens niet alleen uit tot de aardrijkskunde;
ook van geschiedenis weet ik helemaal geen ene moer.
Het is voor mij een onduidelijke warreling van feiten waarin ik geen enkele lijn kan ontdekken.
Dat komt doordat die landen niet om de beurt aan geschiedenis deden, maar allemaal tegelijk.
Daar is dus geen beginnen aan.
(Nicolien Mizee, De porseleinkast, blz. 231)

Gesprek

En daar stond lady Colefax met haar hoed met groene linten.
Heb ik al gezegd dat ik vorige week met haar heb geluncht.
Dat was op Derby Day en het regende en het licht was bruin en kil
en ze ratelde aan een stuk door,
ze reeg haar zinnen aaneen als de krullen uit een vlakschaaf, kunstmatig, maar onafgebroken.
(Virginia Woolf, Schrijversdagboek 1, blz. 83, 13 juni 1923)

 

Zulk een praatje was voor mij geen kleinigheid,
want ik kan eigenlijk met niemand ergens over praten.
Iets zeggen kan ik wel,
maar ik kom altijd, rechtstreeks of langs een omweg, terecht bij het Lijden en de Dood,
en vele dingen die daarmede te maken hebben.
(Gerard Reve, Het boek van violet en dood, blz. 10)

 

Ik wilde iets zeggen dat precies op de situatie paste
maar, zoals bijna altijd, zoude ik iets anders gaan zeggen
dat geheel uit triviale gemeenplaatsen bestond.
(Gerard Reve, Het boek van violet en dood, blz. 17)

 

Hij kan behoorlijk rechts uit de hoek komen.
Ik heb wel eens gedacht dat hij dat doet om zich te laten overtuigen van zijn ongelijk.
Maar dan moest hij zich niet zo hardnekkig verzetten.
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, 17-01-1987, blz. 22)

 

Bij ons thuis werd alleen gepraat als het echt niet anders kon...
Wij waren meesters in het interpreteren van wenkbrauwstanden...
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, 16-02-1987, blz. 52)

 

Al te vaak zijn gespreksgroepen communicerende holle vaten.
(Alexander Pola, Nou èn...? Handleiding voor optimisten, blz. 77)

 

Als het moest kon hij wel, net als een ander, praten over niets, maar vanzelf ging dat niet.
(Gerard Reve, Het hijgend hert, blz. 12)

 

Als het praten ophoudt, kan het gesprek beginnen.
(Paul van den Bergh, Stil zijn is ontmoeten, blz. 27)

 

Dit lijkt een zinvol gesprek;
hij denkt aan zijn grootmoeder in Zaandam en ik aan twee kraaien.
(K. Schippers, De waarheid als de koe, blz. 43)

 

Eigenlijk waren het geen gesprekken -
een gesprek impliceert interesse in de ander, een dialoog.
Dit waren meer monologen:
mensen vertelden wat zij allemaal hadden meegemaakt,
en ik diende te luisteren.
Feitelijk waren ze niet geïnteresseerd in een gesprek.
(Jelle Brandt Corstius, Arctisch dagboek, blz. 20)

 

Op slepende toon uit ze bange kruideniersmeningen,
een gesprek met haar is geen partijtje pingpong met argumenten
maar een vermoeiend toewerpen van ballen die aan haar kant hun veerkracht verliezen.
(J. Rentes de Carvalho, Er is hier niemand, blz. 51/52, 15-06-1999)

 

'Ik denk er het mijne van.'
Het was een van de vaste uitdrukkingen van mijn vader,
waarmee hij in één adem weigerde een gesprek over een bepaald onderwerp aan te gaan
én zijn afkeuring aangaf.
(Kristien Hemmerechts, De dood heeft mij een aanzoek gedaan, blz. 103)

 

Het was altijd net of we niet zelf praatten,
maar machteloos toekeken hoe door ons ingehuurde woordvoerders
rachtten een normaal menselijk gesprek na te bootsen,
zich zo verliezend in de vorm dat de inhoud volkomen absurd werd.
(Nicolien Mizee, De porseleinkast, blz. 40)

Gevangenis

De eerste indruk waardoor men getroffen wordt als men een gevangenis binnen gaat,
is een gevoel van duisternis en bedomptheid,
alsof het ademhalen en het zien wordt bemoeilijkt,
een weerzinwekkende weeïgheid, die zich vermengt met de sombere, naargeestige sfeer.
De gevangenis heeft haar eigen geur en haar eigen halfduister.
De lucht is er niet meer gewoon de lucht, de dag is er niet meer gewoon de dag.
IJzeren tralies hebben dus wel degelijk macht over die twee goddelijke zaken
die voor iedereen vrij zijn, licht en lucht!
(Victor Hugo, Zelf gezien, blz. 85, september 1846)

 

Ik gaf wat geld aan die arme kereltjes,
die misschien alleen maar hier waren omdat ze nooit op school hadden gezeten.
Alles wel beschouwd is de maatschappij schuldiger tegenover hen dan zij tegenover de maatschappij.
Goed, we konden hun vragen:
'Wat heb je met onze perziken gedaan?'
Maar zij konden daarop antwoorden:
'Wat heben jullie met onze intelligentie gedaan?'
(Victor Hugo, Zelf gezien, blz. 95, 23 september 1846)

Gevoelens

Hij wilde niet nadenken over dingen die onveranderbaar waren.
Hij wilde ze ook niet voelen.
Gevoelens waren voor gelukkige mensen.
(Tommy Wieringa, Dit zijn de namen, blz. 34)

 

Oh, die verspilling van gevoel!
Je halve leven verkwansel je aan verwachting en verlangen,
de andere helft wordt vergald door de vervulling ervan!
(L.H. Wiener, Eindelijk volstrekt alleen, blz. 33)

Geweten

Ik heb het ze steeds opnieuw gezegd:
"Ook al schop je 99 mensen op 100 een geweten,
er blijft dan nog een smeerlap over en die wordt president.
En als je naar die durft schoppen, vlieg je de gevangenis in."
(Louis Paul Boon, Verscheurd jeugdportret, blz. 181)

 

Veel mensen danken hun goed geweten aan hun slecht geheugen.
(Godfried Bomans, Korte berichten)

 

Want een geweten is iets moois, maar als je 't hebt
Dan ben je wel ontzettend zwaar gehandicapt.
(Guus Vleugel, De man die zelfmoord wilde plegen, (ged.),
1972, Jacques Klöters Kick van der Veer,
Ik zou je het liefste in een doosje willen doen, blz. 94)

 

Wie tegen zijn geweten in gaat, plaveit de weg naar de hel.
(Erasmus, Geciteerd door A. v.d. Glind, Erasmus, Europeaan, humanist, christen, blz. 21)

 

Het geweten bestaat evenmin of evenzeer als onze schaduw bestaat.
(Jacob Israël de Haan, Besliste volzinnen, blz. 9)

 

Want iemands eigen geweten, dacht ze, was een milde rechtbank,
maar al te ontvankelijk voor verzachtende omstandigheden.
(Koos van Zomeren, Bzzlletin 240, nov. 1996, blz. 24)

Gewoon

Je kan het zo gek niet verzinnen of ik vind
Het wel gewoon
(Liselore Gerritsen, Kortom, Je kunt niet alles hebben, blz. 35)

Gewoonten

Versleten gewoonten horen bij de voddenman. Eens en voorgoed.
(Hélène Nolthenius, Moord in Toscane, blz. 14)


Gezelligheid

'Ik merk het altijd weer opnieuw in mijn leven,' sprak hij,
'als het bijzonder gezellig wordt, wees dan op je hoede;
want dan is het ongeluk nabij.'
(Godfried Bomans, Werken III, blz. 199, honderd avonturen van tante Pollewop)

 

Zonder nu meteen een kluizenaar te zijn, kan ik mezelf ook niet zien als een gemiddeld sociale persoon,
want afgezien van mijn beperkte talent voor gezelligheid,
verdraagt mijn geduld de banaliteit van de meeste conversatie maar slecht.
(J. Rentes de Carvalho, Er is hier niemand, blz. 43, 08-06-1999)

Gezicht

Er zijn gezichten die je altijd en overal herkent,
ongeacht wat de tijd ermee heeft aangericht.
(Kristien Hemmerechts, De tuin der onschuldigen, blz. 12)


Gezin

Je moet ook maar niet luist'ren als de mensen zich beklagen
Over de tegenwoordige bedreiging van 't gezin,
Omdat er vrouwen zomaar om abortus durven vragen,
Dat klinkt misschoen integer, maar geloof er maar niet in.
en laat de CDA-politici dan maar beweren,
Dat het in vroeger tijd zo zedig toeging allemaal,
Dat gold alleen voor hen, die het zich konden permitteren
En geld voldoende hadden voor een dubbele moraal

Maar vast niet voor de smalle bleke meissies uit die jaren,
Die zwanger werden van hun vader toen ze dertien waren
En niks meer te vertellen hadden dan het kind te baren
Om, als het tegenzat, aan de geboorte dood te gaan.
De goeie ouwe tijd heeft nooit bestaan.
(Jan Boerstoel, De goeie ouwe tijd heeft nooit bestaan, 1977,
in: Jacques Klöters en Kick van der Veer,
Ik zou je het liefst in een doosje willen doen, blz. 188)

 

Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar,
elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.
(Lev Tolstoj, Anna Karenina,
geciteerd door Willem Kuipers in ISBN van de Wereldliteratuur, blz. 140)

Gezondheid

De gezondheid is geen afwezigheid,
maar een evenwicht van potenties.
(Godfried Bomans, Werken I, blz. 756, Dagboek 1957, zaterdag 11 mei)

 

Gezondheid is meer dan afwezigheid van ziekte of gebrek.
Gezondheid is een evenwicht van lichamelijk, psychisch, en sociaal welbevinden.
Wanneer dit evenwicht wordt verstoord, is er sprake van een gezondheidsverstoring
die zich kan uiten als stoornis, als beperking en eventueel als handicap.
(Regionaal indicatieorgaan zuid Oost Utrecht Oost,
Health care consultancy group b.v., september 1997)

Gidsen

Ik houd niet van gidsen. Het zijn hooghartige hoeders van de domste kudde ter wereld: toeristen.
(Freek de Jonge, Neerlands bloed, in: het beste uit rainbow, blz. 56)

Gierigheid

Gierigheid - Als ik ergens ben afgezet en ik gooi de aankoop weg, ben ik weer tevreden.
(Frida Vogels, Dagboek 1958-1959, 08-06-1958, blz. 125)

Glijbanen

.., maar ik vond vroeger een glijbaan al een treurige zaak.
Moest je eerst een levensgevaarlijke trap van 40 treden opklimmen.
En dan kon je twee seconden glijden.
Vervolgens moest je weer die ellendige trap op.
(Kees Fens, Waarom ik niet tennis, blz. 82, Breuk)

Glimlach

Toen ze merkte dat ik naar haar keek,
vormden haar lippen een glimlach
die zo teer was als een kerstbal
die kon breken nog voor je hem aanraakte.
(Jaap Robben, Birk, blz. 33)

God

Reeds elders maakte ik de opmerking dat in de mond der gelovers,
het woord god, gewoonlijk de plaats bekleedt van niemand of niemendal
. 'God weet het' is: niemand weet het.
'Bij God alleen is genade, hulp, enz. beduidt: er is géén hoop op hulp of genade.
'God vergeve het u!' is synoniem met: uw misdaad is ónvergeeflijk.
'Om Godswil' heeft de betekenis van gratis, enz.
Die verraderlijke taal!
(Multatuli, Ideeën, eerste bundel, idee 166 (ged.), blz. 90-91)

 

Voor velen is het Godsbegrip niets anders dan een verlenging van het Sinterklaas-geloof.
(Godfried Bomans, Korte berichten)

 

God is gestorven nadat hij nooit heeft geleefd :
het is zijn enige wonder.
(Adriaan Morriën, Het gebruik van een wandspiegel,
aangehaald in Gerd de Ley, Aforistisch bestek 1944-1974, blz. 132)

 

Als God alle mogelijkheden is,
kan Hij er ook níet zijn.
(J.H. Donner, Na mijn dood geschreven, blz. 317, Symbolen, 7-11-1987)

 

Voor de één heet het jenever, voor de ander heet het God
En sommigen willen beide, maar die gaan toch ook kapot.
(Jaap Koopmans, De oude man, LP: De gelaatstrek van het lied, de jaren '65-'70)

 

Je kent dat verhaal van de gravin die Nietzsche had gelezen?
'Heb je het al gehoord?' zei ze. 'God is dood.
Als het personeel er maar niet achter komt.'
(Gerrit Komrij, Niet te geloven, blz. 51)

 

Misschien was ik te zwaartillend,
maar de weinige keren dat we elkander tegenkwamen en een praatje maakten,
vond ik zijn blijmoedig vertrouwen in schepping, mens, maatschappij en God stuitend, onkuis eigenlijk,
nu ja: godslasterlijk.
Want wat wist iemand van God?
Ik niets, al had ik natuurlijk mijn ideeën over het onderwerp.
Hij scheen alles over god te weten, maar zonder ideeën: zo kan het ook.
(Gerard Reve, Het boek van violet en dood, blz. 13)

 

God bestaat niet, is door ons gefantaseerd,
maar wordt toch gehoorzaamd.
(Willem Frederik Hermans, De raadselachtige Multatuli, blz. 94, uit Minnebrieven)

 

Had God een vrouw gehad, dan zaten we hier niet;
"Wat doe je?"
"Ik stuur de kinderen weg."
"Waarom? Wat hebben ze gedaan?"
"Ze hebben een appel van de boom gegeten, terwijl ik ze nog zo had gezegd..."
"Kom kinderen, kom even zitten. Ik weet niet wat jullie hebben uitgehaald,
maar je vader is behoorlijk van streek.
En jij, jij bent toch zo machtig?
Go kill the damn snake."
(Bill Cosby, geciteerd door Frank van Dixhoorn, Zes seconden eenzaamheid, Volkskrant, 4-7-97)

 

Maria is de moeder van God.
Christus is de zoon van God.
Conclusie: Maria is de oma van Christus.
(Herman Finkers, Ich bin ein Almeloër, blz. 106, Preek Martinikerk)

 

Het leven was een stuk simpeler toen ik nog in God geloofde.
Als u het zo wilt, geloof ik nog steeds in God,
maar Hij is niet meer wat Hij geweest is.
God verdraagt het niet om van alles te betekenen
en de grote stoplap te worden in een stuk waarvan je de zinnen niet meer kunt rijmen.
En dat is Hij nu, een stoplap voor het ongerijmde.
Ik weet dat ik dat ergens niet kan maken met Hem.
Hij heeft ook zijn trots, God.
(Connie Palmen, De wetten, blz. 231)

 

Om op de jongens terug te komen: kan een goede opvoeding buiten God?
Let wel, de vraag is niet of Hij bestaat, maar of we Hem nodig hebben.
Ik voor mij geloof niet dat God uit de lucht is komen vallen.
Kennelijk is het goede in de mens zo zwak
en tegelijkertijd zo noodzakelijk dat het een krachtige defenitie behoeft.
Helaas vertoont zo'n defenitie de neiging aan zichzelf te ontstijgen
en uit te groeien tot een legitimatie voor allerlei kwaad.
Hoeveel is er niet gemoord en gestolen en gehoereerd uit naam van God
(of het vaderland of de revolutie of wat dan ook)?
Terwijl moorden en stelen en hoereren toch echt slecht is.
We moeten dus maar zo dicht mogelijk bij huis blijven en bidden dat het goed gaat.
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, blz. 124, 11-05-1987)

 

Religie is fascinerend, een van de mooiste uitvindingen die de mens heeft gedaan.
Het kost me (tegenwoordig) weinig moeite dat te erkennen.
Het gevaar dat ik zal terugkeren tot God lijkt me echter miniem.
Natuurlijk, ik gebruik zijn naam, soms vrijmoedig, soms ijdel.
God is een woord uit onze taal, net als wandkleed of fietswiel,
maar dramatischer en van een grotere poëtische kracht.
Als het gaat om onbegrip of machteloosheid of ontroering, komt God vaak goed van pas.
Maar betekent dat ook dat hij, in christelijke zin, bestáát?
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, blz. 281/282, 07-10-87)

 

Als je zoveel tobt als ik, is het erg prakties als je je een God hebt aangeschaft
aan Wie je alles wat je zelf niet verwerken kunt over laat.
(Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975-1992, blz. 12, 5 november 1975)

 

Neen, dat zit allemaal gebakken.
Er is een God en een warenwet.
(Gerard Reve, Brieven aan Matroos Vosch 1975 - 1992, 26 mei 1981, blz. 229)

 

Arago had een favoriete anekdote.
Toen Laplace zijn mécanique céleste had gepubliceerd,
vertelde hij, werd hij door de keizer ontboden.
De keizer was razend. 'Wat is dat!' riep hij uit zodra hij Laplace zag.
'U zet het hele wereldstelsel uiteen, u beschrijft de wetten van heel de schepping,
en u noemt in uw boek niet éénmaal het bestaan van God!'
'Sire,' antwoordde Laplace, 'dat was een hypothese die ik niet nodig had.'
(Victor Hugo, Zelf gezien, blz. 123, Dingen van de dag 1847)

 

Ik moest vechten
- met God en mensen zou ik worstelen, en ik zou overwinnen, zag ik nu.
Neen, o neen, ik mocht nimmer de hoop opgeven dat ik eenmaal datgene zou schrijven
wat geschreven moest worden, maar dat nog niemand, ooit, op schrift had gesteld:
het boek, alweer, dat alle boeken overbodig zou maken,
en na welks voltooiing geen enkele schrijver zich meer zou behoeven af te tobben,
omdat gans het mensdom, ja zelfs de gehele, thans nog in haat en angst gekluisterde natuur, verlost zou zijn.
Dan zouden de kinderen der mensen een zonsopgang zien als nimmer gezien was,
en een muziek zou klinken, ruisend als van verre,
die ik nooit gehoord had, maar toch kende.
En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel
en voor de deur staan en aanbellen en zeggen:
'Gerard, dat boek van je - weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?'
(G.K. van het Reve, Nader tot u, blz. 112, Brief uit het huis genaamd 'Het Gras')

 

'Mijne vrienden in CHRISTUS!'
Dat wil zeggen: in 't geheel geen vrienden.
Precies als 'God weet het' beduidt: niemand weet het.
'God alleen kan helpen: 'er is geen hulp'
(Multatuli, Ideeën Tweede bundel, blz. 180, idee 454 (ged.))

 

Wie 't eerst stelt, moet het eerst bewyzen.
Dit is een gulden regel,
en de ontkenner zou met de eenvoudige betuiging van z'n ongeloof kunnen volstaan,
tot op de ogenblik dat het bestaan der dingen die hy ontkent,
aangetoond ware door hen die 't vaststellen en voortplanten.
Men kan van de atheïst niet vorderen,
dat hy 't niet bestaan van een god bewyze.
(Multatuli, Ideeën Tweede bundel, blz. 345, idee 531 (ged.))

 

Elk mens en elke tijd heeft zijn eigen God.
En in deze, zo psychologisch bepaalde historiciteit, ligt zijn ware aard.
(Ischa Meijer, geciteerd door Connie Palmen, in: I.M., blz. 238)

 

'Veel van wat de bijbel zegt over God is zelden onderwerp van prediking omdat het,
te precies geanalyseerd,
een schandaal blijkt'
(Jack Miles, geciteerd door Maarten 't Hart, Wie God verlaat heeft niets te vrezen, blz. 70)

 

Mijn tegenstanders, de aanbidders van de God van Nederland,
hebben nu eenmaal een andere God, die ik niet ken, noch wens te kennen:
de toornige, onberekenbare, maar allerminst om de tuin te leiden oude huistiran,
tegenover wie zij zich gedragen als kinderen, die zich koest houden
omdat straks, aan het eind van de dag, 'vader thuis komt'.
Ik heb al vaker gezegd, dat ik niemand dat Godsbeeld misgun,
maar erop blijf staan, desgewenst uitbeelding te geven van het mijne.
(Gerard Reve, Een eigen huis, blz. 185, Pleitrede voor het hof)

 

Ben jarenlang op zoek geweest naar god.
Heb met zeer gerenommeerde detektivebureaus
samengewerkt.

Maar als god bestaat doet
hij geweldig zijn best om dat
voor ons verborgen te houden.

(Herman van Veen, Wilminks keus II, blz. 66)

 

De vader zwygt… o God, er is geen God!
(Multatuli, Het gebed van den onwetende (fragm.) in: Voor de bijl, blz. 144)

 

Als schepper was God een genie, als manager een totale mislukking.
(Terzijde, VN, 15-05-1999)

 

Elk geloof in God is 'n zwakheid,
't is leunen op iets dat er niet is.
(Remco Campert , Luister goed naar wat ik verzwijg, blz. 39)

 

Ik vertelde dat ik een jaar theologie had gestudeerd.
'Geloof je in God?' vroeg hij meteen.
'Ik hoop Hem een keer tegen te komen.'
'Volgens mij is het net zo'n geval als dat van de Eenhoorn, dat is ook een woord dat naar iets verwijst wat niet bestaat.'
Ik lachte. 'Wie zal het zeggen? Misschien hebben ze zich wel samen verstopt.'
(Rosita Steenbeek, De laatste vrouw, blz. 153)

 

Ik vraag me af hoe God het uit kan houden - eenzaam, klam en koud in de wolken.
Zo leef ik ook - maar ik ben God niet.
(W.N.P. Barbellion, Dagboek van een teleurgesteld man, 19-11-1914, blz. 168)

 

Ik denk: als er werkelijk een God bestond,
waren er al lang dieren geweest die dat in de gaten hadden gekregen.
(Koos van Zomeren, Nog in morgens gemeten, blz. 84)

 

Nu kan men zeggen dat het juist zo groot is van de god
dat hij niet gevonden wenst te worden,
maar het maakt zwijgen dubbel zo gevaarlijk: geen spoor.

(Mark Boog, GOD (fragment), De 100 beste gedichten van 2005, blz. 24)

 

Laten we het maar ronduit zeggen:
iemand die in een God gelooft, is gewoon gek.
Het is een stoornis.
(Charlotte Mutsaers, Profiel, VN, januari 2008)

Niemand kan zeker weten dat er geen goden bestaan,
al denk ik zeker te weten van niet.
Voor de goden maakt mijn zekerheid geen enkel verschil.
(Benno Barnard, Het gat in de wereld, blz. 24)

 

God kan onmogelijk bestaan.
Alleen een randdebiel kan zo'n ondraaglijk lelijke wereld in elkaar zetten.
(Tanneke Wigersma, Mijn laatste dag als genie, blz. 83)

 

God bestaat niet, er zijn alleen mensen.
Maar niets is zo menselijk als de godsdienst.
Is een godsdienst zonder god denkbaar?
Is het niets institutionaliseerbaar?
(J.H. Donner, Van Computers, Politiek, Amsterdam & een klein meisje, blz. 60)

 

Wij hebben weinig keus.
Of wij dienen een god die er niet is
of wij verloochenen een god die er wel is.
Een god die er is dienen, is kinderspel,
een god verloochenen die er niet is, is energieverspilling.
(Bergman, Nagelaten werk, blz. 284)

 

Soms, snachts, overvalt me wel eens de gedachte dat God ergens gevangen wordt gehouden
& dat althans iemand alarm zou moeten slaan,
opdat men gezamenlijk er op uit zou trekken om Hem te bevrijden.
(Gerard Reve, Brieven aan Josine M., 23-03-1966, blz. 155)

 

Een heel enkele keer,
vermoedelijk bij toeval of vergissing,
is God barmhartig.
(Gerard Reve, Brieven aan Josine M., 27-06-1974, blz. 306)

 

Waarom er bijtende en stekende insecten bestaan,
alsmede slangen en mensen met een laag IQ of een a-sociale instelling,
is mij een raadsel.
Ik zie het maar als een bewijs dat God niet bestaat.
(Kees Klok, Idioten ontloop je nergens, blz. 184)

 

We zijn met zijn tweeën, God en ik:
ik verneuk hem en hij verneukt mij,
we zullen zien wie het het langste volhoudt.
(Frida Vogels, Dagboek 1958-1959, blz. 429, 18-05-1959)

 

Dat God zich manifesteert in je kinderen
blijkt uit het feit dat kinderen zo graag verstoppertje spelen.
(L.H. Wiener, Fallen leaves, 18-07-2000, blz. 247)

 

God is de echo van je eigen stem.
(Mano Bouzamour, De belofte van Pisa, blz. 51)

 

God?
Dat zijn drie letters om de wereld te organiseren.
(A.L. Snijders, Heimelijke vreugde 1, blz. 329)

 

Je kunt, denkend aan de oorsprong van het leven,
nu wel zeggen dat de oerknal niet aannemelijker is dan God,
maar dat maakt God nog niet aannemelijker dan de oerknal.
(Koos van Zomeren, Hooibderg, blz. 153

 

God bestaat, denk je ook niet?
Nou ja, dat wist ik trouwens allang.
Uit het feit dat ik in God geloof,
waarvan toch duidelijk is dat hij niet bestaat,
blijkt toch dat er een God moet zijn.
(Nicolien Mizee, De kennismaking, blz. 203)

 

God is een constructie.
Ik ben hem langzaam gaan herkennen.
Het komt erop neer dat je vooral zo goed mogelijk je hersens moet gebruiken.
(Nicolien Mizee, De porseleinkast, blz. 241)

 

Toen ik dacht dat ik God was, wist ik niet beter;
maar toen ik wél beter wist, dankte ik God dat ik hem niet was.
(Ischa Meijer, Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan, blz. 146)

Godsdienst

De roeping van de mens is mens te zijn.
Daarheen moeten leiden: opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst.
(Multatuli, Ideeën, eerste bundel, idee 136 (ged), blz. 65)

 

In de zogenaamde godsdienst gaat het even zo.
De vromen maken 'n god, takelen die bespottelijk toe,
en als 'k dan spot met die bespottelijkheid, zeggen ze dat ik iets heiligs aantast.
(Multatuli, Ideeën, eerste bundel, idee 373(ged.), blz. 258)

 

'Lukas de Wilde, op de godsdienst.
De godsdienst is een goede zaak,
En geeft het mensdom veel vermaak.'
(Multatuli, Ideeën, eerste bundel, idee 385(ged.), blz. 281)

 

Elke Godsdienst is als ketterij begonnen.
(Alexander Pola, Mengvoer)

 

Lichtenberg schreef het tweehonderd jaar en het is nog precies zo,
alleen moeten de groepsaanduidende bijvoeglijke naamwoorden nu vaak door andere worden vervangen:
"Da sie sahen, daß sie ihm keinen katholischen Kopf aufsetzen konnten,
so schlugen sie ihm wenigstens seinen protestantischen ab."
(C. Buddingh', Dagboeknotities 1977-1985, blz. 182, 18-02-'78)

 

Een goed theoloog weet alles.
Daarom leert hij nooit iets.
(Henri Bruning, Roeping, nov. 1951,
aangehaald in Gerd de Ley, Aforistisch bestek 1944-1974, blz. 106)

 

Theoloog: iemand die alles kan bewijzen op voorwaarde dat het onzichtbaar is.
(Fons Jansen, goeden avond, dames en heren,
aangehaald in Gerd de Ley, Aforistisch bestek 1944-1974, blz. 125)

 

Een schim, diagonaal tot in de nokken.
Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken.
Zijn aderen begonnen te verkalken.
(Gerrit Achterberg, Eben Haëzer, in Willem Wilmink, Kinderen, blz. 179)

 

Ik heb altijd een hekel gehad aan georganiseerde godsdienstigheid.
Het is niet alleen de weerzin jegens de collectieve beleving van zoiets persoonlijks als religiositeit,
maar ook de holle roomsigheid waarmee ik ben opgegroeid.
Verklede mannen die lege rituelen opvoeren voor een toonloos meemummelend publiek.
Als God echt bestaat, dan woont hij in ieder geval niet hier, dacht ik als jongen,
En als het wel zo is, dan moet ik 'M niet.
Want dan is Hij de chef van die verklede mannen
die je in enge hokjes willen uithoren over slechtigheid die ze zelf bedacht hebben.
(Hans Righart, Een God van Niks, HP/De Tijd, 31-05-1996, blz. 20)

 

Zij die in de meest bespottelijke onzin geloven,
doen graag een beroep op het gezonde verstand.
(J.H. Donner, Na mijn dood geschreven, blz. 394, Euthanasie, 2-7-1988)

 

Ik dacht dat een beetje intelligent mens zich er inmiddels bij had neergelegd
godsdienst als een ziekte en afwijking te beschouwen.
(Gerrit Komrij, Niet te geloven, blz. 7)

 

Waarom dat voortdurend beroep op de eigen nederigheid
en tegelijk die arrogantie?
(Gerrit Komrij, Niet te geloven, blz. 47)

 

Op de wegen
des Heren
is het moelijk
parkeren
(Ischa Meijer, De dikke man voor altijd, blz. 222, Blijde boodschap)

 

De moraal alleen is niet voldoende voor het stichten van een godsdienst.
Er is ook een dogma nodig, een cultus.
Wat nodig is om de cultus en het dogma een grondslag te geven, zijn mysteries.
Wat nodig is om in de mysteries te doen geloven, zijn wonderen.
Doet dus wonderen.
Weest profeten, weest goden om te beginnen,
als ge kunt, en pas daarna priesters, als ge wilt.
(Victor Hugo, Zelf gezien, blz. 8, oktober 1830)

 

Tot en met de vorige eeuw werden de aartshertoginnen van Oostenrijk
tot de huwbare leeftijd zonder enige vorm van godsdienst grootgebracht,
zodat zij gemakkelijker het geloof konden aannemen van de vorst met wie zij in het huwelijk zouden treden.
(Victor Hugo, Zelf gezien, blz. 98, 25 november 1846)

 

Ik loer op het bezit van de ander,
maar zeg dat het me om de godsdienst gaat;
ik volg mijn haatgevoelens en verberg me achter het recht van de kerk.
(Erasmus, Geciteerd door A. v.d. Glind, Erasmus, Europeaan, humanist, christen, blz. 26)

 

Ik ben zeer liberaal op het punt van godsvereering
(let wel dat ik niet zeg godsdienst).
(Multatuli, Liefdesbrieven, blz. 127, Brieven aan Everdine, 17 December 1845)

 

We kunnen de grote wereldgodsdiensten pas weer serieus nemen
als ze de handen ineenslaan
en gezamenlijk proberen een drastische oplossing te vinden voor de overbevolking op deze planeet.
(Herman Philipse, auteur van het Atheïstisch Manifest,
Trouw, 24-12-97, Bezwaren tegen den geest der eeuw)

 

Negers mogen van de EO best negers zijn,
als ze het zwartzijn maar niet praktizeren.
(Alexander Pola, Nou èn...? Handleiding voor optimisten, blz. 62)

 

Het is nu eenmaal zo: deze door theologisch fanatisme doorwoekerde moerasdelta gonst en zwermt van godsdienst,
maar volwassen religiositeit is er nog heel ver te zoeken:
men weet in dit land, om het wat populair te zeggen, van God geen zure peren.
Ware dit wel het geval, dan zou men toch mijn vermeend vergrijp niet zwaarder doen wegen
dan dat van de Amerikaanse ruimtevaarder, die, uit de kosmos op aarde teruggekeerd,
beweert in de ruimte God te hebben ontmoet,
en die op de vraag, hoe God er dan wel uitziet, antwoordt: 'She is black.'
Niemand heeft ooit god gezien, dat is de lering van deze ontroerende anekdote,
die ons deemoedig zou moeten stemmen.
(Gerard Reve, Een eigen huis, blz. 175, Slotwoord voor de rechtbank)

 

Als de godsdienst de mensen niet verbetert,
maakt zij hen ongetwijfeld slechter dan ze zonder godsdienst zouden zijn geweest.
(Louis Hoyack, Gedachten en aphorismen, blz. 1)

 

De ketterij van gisteren is de waarheid van vandaag
en de waarheid van vandaag kan op haar beurt morgen reeds bijgeloof zijn.
(Bertus Aafjes, De sneeuw van weleer, blz. 36)

 

Wat de godsdienst betreft, God moge dood zijn, maar de godsdienst niet,
zolang de Wet van Vique niet weerlegd is, die stelt:
'Een mens zonder godsdienst, is als een vis zonder fiets.'
(W.F. Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, blz. 12, Een woordje vooraf)

"Mijn religieuze opvoeding is vroeg gestopt,
maar ik prijs me gelukkig dat ik die heb gehad,
want dat is een toegangsweg naar het onzichtbare, of als u wilt het 'innerlijke'.
Mensen die geen religieuze opvoeding hebben gehad,
of een al te kille protestantse,
zijn gesloten gebleven voor de mythische waarheden of het heilige van het alledaagse.
Het is een pluspunt voor de katholieke godsdienst en voor enkele andere,
dat zij het contact daarmee hebben bewaard."
(M. Yourcenar, Met open ogen)

 

Op het terras van Belvédère aan de dijk heerst de rust die hoort bij culinair genot.
Een uitgelezen plek om een nieuwe godsdienst te verzinnen. Ik ben er al jaren mee bezig.
Het is een tijdrovend karwei dat geen onderbreking duldt en in stilte moet gebeuren.
Ons gemis aan woestijnen en spelonken speelt mij parten. Godsdiensten en wijnen rijpen het best in afzondering.
Visioenen zijn niet aan ons besteed. Wij kopen onze dromen bij de slijter.
(Bergman, De tijd te lijf, blz. 31)

 

Móest ik een georganiseerde godsdienst kiezen, ik koos het christendom,
omdat ik daar althans verstand van heb.
Vreemde godsdiensten zijn voor mij even ontoegankelijk als de dichtkunst van de Bosjesmannen,
- ik ken de taal niet waarin hun waarheden zijn vervat,
en het periodieke schwärmen van onoordeelkundige westerlingen met Aziatische diepzinnigheid
bezorgt me jeuk op onbereikbare plaatsen.
(Benno Barnard, Het gat in de wereld, blz. 24)

 

Ik heb ook niets tegen de menschen die hun reden van bestaan
op de verantwoordelijkheid van God willen schuiven
(men werkt met de middelen die men heeft),
ik heb alleen van kinds-af sceptisch en weinig sympatisch gestaan
tegenover de verordeningen en het geadministreer door ambtenaren in zwarte gewaden.
(E. du Perron, Briefwisseling 1930-1940 I, blz. 6, 18-11-1930)


De meeste mensen smachten naar een beetje houvast
in het absurde universum waarin wij leven,
en dat beetje houvast wordt nu eenmaal door allerlei vormen van godsdienst gul geboden.
Ach, laat die mensen toch, pak ze hun houvast niet af.
(Maarten 't Hart, Dienstreizen van een thuisbljver, blz. 39)

 

Goed (en kwaad)

Jan wil weten wie goed is, Bouterse of Brunswijk.
het komt hem uiterst onwaarschijnlijk voor dat ze allebei slecht zijn.
Waar gevochten wordt moet sprake zijn van goed en kwaad
- ik geloof dat dat idee is aangeboren.
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, blz. 123, 10-05-1987)

 

Hier en daar ontstaat een situatie die de voorkeur verdient boven de voorgaande.
Soms wint het kleinste kwaad - maar wie loopt er nou warm voor het kleinste kwaad?
Je wilt niet weer een situatie met haken en ogen, je wilt het paradijs.
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, blz. 231, 03-09-1987)

 

Wie zal de waarde der dingen op de juiste wijze afwegen?
Wie het goede op de ene schaal legt en het slechte op de andere, begrijpt het wezen der dingen niet.
Want wat goed is, bevat ook het slechte en wat slecht is, ook het goede.
Op de juiste wijze gewogen hangen mens en mens daarom in evenwicht.
(Johan W. Schotman, De tijger, in: Moderne Nederlandse verhalen, blz. 183)

 

Goede lieden zijn lieden die hun slechtheid met meer zorg en succes weten te verbergen dan slechte lieden.
(J. Greshoff, Nachtschade, blz. 119)

Goede bedoelingen

Goede bedoelingen zijn volgens mij niet veel meer dan
het trachten te ontzien van de vermeende gevoeligheden van de ander,
welke gevoeligheden echter altijd de projecties van onze eigen angsten zijn.
Het enige goede aan goede bedoelingen
is dat ze voortkomen uit genegenheid,
uit de angst om iemand kwijt te raken.
(Nicolien Mizee, De porseleinkast, blz. 168)

Goedheid

De mens is alleen goed uit berekening, krankzinnigheid of lafheid.
(Willem Frederik Hermans, Hellebaarden,
aangehaald in Gerd de Ley, Aforistisch bestek 1944-1974, blz. 124)

 

De meeste mensen hebben alleen iets voor een ander over als ze iets over hebben.
(Alexander Pola, Nou èn...? Handleiding voor optimisten, blz. 55)

Goede Vrijdag

Goede Vrijdag. Vroeger moesten we om drie uur al stil zijn en aan de arme Jezus denken.
Als nu in Nederland een vader zijn zoon aan een kruis zou laten spijkeren,
zouden ze zich op het Pieter Baan Centrum geen raad weten met zo'n psychopaat.
In ieder geval zou hij geen proefverlof krijgen als hij nog meer kinderen had.
Wel een winkelverbod voor houthandels.
(Hendrik Groen, Pogingen iets van het leven te maken, blz. 96)

Gokverslaving

'Hoe is het met je?'
'Het gaat niet goed Youp.'
'Wat dan?'
'Ik ben gokverslaafd.'
'Dat is heel erg voor je.'
'Ja, maar ik kom er weer van af.'
'Dat schijnt niet zo makkelijk te zijn.'
'Nee, maar mij lukt het. Wedden?'
(Youp van 't Hek, Ergens in de verte, blz. 11)

Golfen

Golfen is knikkeren voor jongens die niet willen bukken.
Of, zoals mijn oude vader altijd zei: "Hoe kleiner de bal, hoe groter de kwal."
(Youp van 't Hek, Ergens in de verte, blz. 51)

Goochelaars

Deze oude truc had de goochelaar
nog van zijn betover-grootvader geleerd.
(Wim Meyles, Spelen met woorden, blz. 63)

Goudvissen

Zondag
Dat een goudvis wit kan sterven
kan je hele week bederven
(Wiel Kusters, Een beroemde drummer)

 

De goudvissen hebben hun jongen opgevreten.
In de warme windstille zomer waren ze dagenlang bezig met kuitschieten.
De kleine met de zwarte vlekken in z'n gezicht zat de grote slome onvermoeibaar achterna
en duwde haar tot dol wordens toe tegen het gezwollen achterlijf,
tot ze haar eieren liet gaan tussen de waterplanten.
(Anna Enquist, Het meesterstuk, blz. 9)

Goulash

Ik hou niet van vreemde kostjes in restaurants,
want ge weet nooit of het rot is dan wel een specialiteit.
Daarom nam ik Hongaarse goulache, want dat is gewoon Vlaamse stoverij in tomatensaus.
(Louis Paul Boon, 16 van Louis Paul Boon, blz. 31, Posthoorn)

Greenpeace

Die jongens en meisjes van Greenpeace.
Dat zijn de eerste echte evangelisten.
(C. Buddingh', Dagboeknotities 1977-1985, blz. 355, 9-10-1979)

Grenzen

We zijn naar Ahaus gereden.
Verbazingwekkend wat een verschil een grens maakt, ook in deze tijd nog.
Koren in plaats van mais, huizen met pothoeden van leisteen,
de afstanden tussen de stadjes vier, vijf keer zo groot.
(Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, blz 211, 15-08-1987)

Groei

Het leuke van groeien is dat je meer complexiteit aankunt.
Niks zo radicaal en beperkt als een puber of adolescent.
(Connie Palmen, De erfenis, blz. 27)

Grondwet

Een grondwet heeft altijd twee aspecten:
het is de oplossing van een bepaald volk in een bepaalde tijd,
en het is een blaadje papier.
Het hele geheim om de politieke vooruitgang van een natie goed te sturen,
bestaat hierin dat men de maatschapppelijke oplossing weet te onderscheiden van het blaadje papier.
(Victor Hugo, Zelf gezien, blz. 10, 15 september 1830)

Groot(heid)

Wij willen ons groot maken,
door al wat uitsteekt neer te halen tot onze laagte.
(Willem Frederik Hermans, De raadselachtige Multatuli,
blz. 127, Een en ander naar aanleiding van J. Bosscha's Pruisen en Nederland)

Gymnasium

Maar intussen heb ik een droevige jeugd gehad.
Mislukt op school, te weten het gymnasium, wat overigens geen sportschool is.
In sport en balspel was ik trouwens ook niets waard.
Het besef van mislukt te zijn, is mij heel lang blijven achtervolgen.
Pas heel laat zag ik in, dat een academische carrière mijn ondergang zoude hebben betekend.
Ik ben niet mislukt, geloof ik, maar ontsnapt.
(Gerard Reve, Het boek van violet en dood, blz. 19)

Terug naar de eerste pagina /homepage
Citaten zoeken op trefwoord
Overzicht van trefwoorden
Citaten zoeken op auteur
Overzicht van auteurs
Overzicht van bibliografieën
Andere interessante internet-bladzijden


Vanaf 17-10-1998


©2019 Mats Beek, Veenendaal

Schrijf Webmaster